Ruben Kemperman

Ruwe poëzie, rake onderwerpen.
Krachtig, groots in klein zijn, kwetsbaar zijn.
Het leven en de vele vragen, ook antwoorden.
Ik en met mijzelf, met jou en hoe jij jezelf vindt via mij.


Corona uitje

Het uitje van de week dient zich aan. Opgewonden ruim ik gehaast op want zo dadelijk komt mijn buurvrouw iets bij mij printen. Het is pas 9 uur in de ochtend. Ik zeg het huurcontract met mijn pyjama op, leg mijn joint aan de kant en sluit 20 tabbladen Pornhub af.  Ik ontmoet de vreemdeling nog even in de spiegel en zeg dat hij zijn baard moet snoeien, tanden moet bleken en… misschien even wassen ook. De sensatie van een spijkerbroek en een overhemd aan mijn lijf herinneren mij aan de vergeten tijd voor de crisis. Het voelt goed om weer een glimp op te mogen vangen van het leven dat ooit was. Vereenzaamd, gedissocieerd, vervreemd en ontheemd zoek ik naar mijn decorum onder het stof, etiketten, sociale codes, er was iets met een anderhalve meter toch? Vroeger gaven we elkaar een hand en 3 kussen op de wang of was het 1 op de mond? Ik weet het niet meer.

 

Mijn inmiddels 6 keer hergebruikte coffeepad perst pruttelend nog 2 kopjes lichtbruin water. In hoog tempo maar toch niet sneller dan slow motion probeer ik met vastgeroeste ledematen en contracturen een half uur te vullen met opruimen, maar ik besef dat ik geen container ter beschikking heb.

 

Via de intercom ontgrendel ik mijn deur nadat de bel gaat. Met een aardappelschilmesje snij ik door 3 lagen Duck tape de kieren van mijn deur weer open. Nog voordat mijn buurvrouw goedemorgen wens zoen ik haar vol op de mond, zij verdwaast, ik verbaast en terwijl we samen verwerken hoe sociale interactie misloopt, ben ik alweer onderweg naar binnen.

 

Hallo buurman, alles goed? Das alweer een maandje geleden of niet? Zolang binnen zitten is voor niemand gezond. Een maand? Is het pas zo kort? Het voelt alsof mijn sarcofaag na vierduizend jaar geopend is en ik voor het eerst weer zuurstof krijg. Saskia, want zo heet mijn buurvrouw wijst mij op subtiele wijze op mijn staat van ontbinding waarop ik mij niet eens beledigd voel.

 

Ben je niet net als iedereen gewoon naar buiten gegaan? En de feestdagen? Heb je nog vakantie gehad? Het duizelt mij en niets van wat ze zegt maakt ook maar enigszins verbinding met gebeurtenissen die blijkbaar plaats gevonden zouden moeten hebben. Ik vraag of ze iets te drinken lust.  

Over lege verpakkingen, kleren, serviesgoed en een kampvuur, klauter ik de keuken binnen en kom terug met inmiddels koude koffie. Aah lekker thee zegt mijn buurvrouw. Nee Saskia, dat is koffie. In mijn hersenarchief van opgeslagen gezichtsuitdrukkingen zegt haar opgetrokken neus dat ze het walgelijk vindt.

 

We staren beide, ik vooruit en zij om zich heen. Beide sprakeloos, ik door achtergebleven sociale interactie en zij verwondert door mijn kat die ineens tevoorschijn komt. “Hij leeft nog” zegt ze iets te ondoordacht en ze schrikt van zichzelf. “Zo bedoelde ik het niet”. Ik heb geen idee waar het over gaat maar vraag haar wat ze nodig had. “Ik heb je een mail gestuurd met een bestandje”. De enige vorm van communicatie waartoe ik mij beperkt heb is morscode en in mijn periode van eenzame opsluiting werkte dat zelfs niet. Vele malen zond ik SOS-signalen uit, maar niemand kwam mij halen.

 

“Het is al goed” zegt ze. Ze krijgt het voor elkaar om het document zelf uit te printen en bedankt mij voor de hulp. In de deuropening probeer ik haar weer te zoenen, maar nog voor ik in de buurt kom, krijg ik een klap in mijn gezicht. “Ruben!” Dit was de klap die ik blijkbaar nodig had, want het was deze corrigerende tik, die mij terug bij zinnen bracht, mij het besef van de wereld teruggaf en in liet zien dat het leven gewoon verder gaat. Diezelfde dag nog heb ik mijzelf uit quarantaine gehaald, een container besteld en mijn huis opgeruimd.